Banner Helden van onze velden 2026

Van hommelkast tot slim ecosysteem: ​zo beschermen nuttige insecten Vlaamse aubergines

Duurzaamheid

Hommels die bloemen bestuiven en roofmijten die plagen aanpakken: nuttige insecten zijn al lang vertrouwd in de Vlaamse glastuinbouw. Nieuw is vooral hoe verfijnd het samenspel vandaag wordt. Telers bouwen steeds bewuster aan een levend ecosysteem in de serre, waarin natuurlijke vijanden, dagelijkse observatie en steeds meer data en technologie elkaar versterken. Bij auberginetelers Jurgen Franco en Nancy Verstegen (TOPA in Jabbeke) is dat dagelijkse praktijk. “Je moet een serre eigenlijk zien als een klein ecosysteem. Je zet nuttige insecten uit, maar daar stopt het niet. Je moet elke dag tussen je planten lopen, kijken wat er gebeurt en snel reageren als het evenwicht verandert. We leren daar ieder jaar nog in bij.”

Hommels voor de bloemen, roofmijten voor de plagen

De familie Franco teelt al zeventien jaar aubergines. Zodra de eerste bloemen verschijnen, worden hommelkasten in de serre geplaatst. Doorheen het seizoen gaat het bij TOPA om zo’n 150 kasten, goed voor ongeveer 15.000 hommels. De hommels vliegen zelfstandig uit en zorgen voor de bestuiving. Daarnaast zet de teler verschillende natuurlijke vijanden in tegen onder meer trips, spint en bladluis. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om roofmijten, sluipwespen en roofwantsen. Sommige eten plaaginsecten rechtstreeks op, andere parasiteren ze. Zo helpen ze de plaagdruk biologisch onder controle te houden.

“De hommels hebben één duidelijke taak: bestuiven. De andere nuttige insecten helpen ons om plagen in de serre in evenwicht te houden”, zegt Jurgen Franco. “Het mooie is dat je de natuur voor een stuk voor je laat werken.” Adviseur Bart Elseviers van Biobest, die TOPA begeleidt, ziet precies daar de kracht van de aanpak. “Je werkt niet met één wondermiddel, maar met verschillende natuurlijke bondgenoten die elk hun rol hebben. De kunst is om die op het juiste moment in te zetten en goed op te volgen wat er in het gewas gebeurt.”

Hommel bij aubergineteler TOPA x Biobest

Geen systeem dat vanzelf draait

Dat evenwicht vraagt veel kennis en opvolging. Aubergine vormt veel blad, waardoor het gewas dicht kan worden en problemen snel kunnen opbouwen. Franco en zijn medewerkers lopen daarom dagelijks door de serre. Om de twee weken volgt ook Elseviers de situatie mee op.

“Je kan niet gewoon insecten uitzetten en ervan uitgaan dat alles vanzelf goed komt. Je moet blijven kijken: hoe doen de planten het, welke insecten zien we en waar ontstaat misschien een probleem? Hoe sneller je iets opmerkt, hoe gerichter je kan bijsturen”, legt Jurgen uit. Ook temperatuur, luchtvochtigheid, licht en plaagdruk spelen een rol. Nuttige insecten zijn levende organismen en reageren verschillend op de omstandigheden in de serre. Daardoor wordt advies op maat steeds belangrijker.

Micromus nuttige

Micromussen die in de serre worden ingezet, jagen bijvoorbeeld op bladluizen.

AI om insecten te meten

Precies daar zit een belangrijke evolutie. Biologische gewasbescherming wordt steeds meer ondersteund door digitale monitoring. Waarnemingen kunnen vandaag in apps worden geregistreerd en via grafieken en heatmaps opgevolgd. Andere systemen fotograferen vangplaten en gebruiken AI om insecten automatisch te herkennen en te tellen.

Elseviers: “De nuttige insecten blijven het echte werk doen, maar technologie helpt ons om sneller te zien waar iets verandert. Waar biologische bestrijding vroeger vooral draaide om de juiste natuurlijke vijand uitzetten, combineren we dat vandaag steeds meer met data, monitoring en automatische detectie. Zo kan je veel gerichter werken. Ook het verspreiden van nuttige insecten kan steeds meer geautomatiseerd worden. Daarmee evolueert de sector naar een vorm van precisiegewasbescherming waarin biologie en technologie steeds nauwer samenwerken.”

Bij TOPA stopt het biodiversiteitsverhaal niet aan het glas. Langs de nieuwe serres werden inheemse struiken aangeplant, zoals bij serrebedrijven vaker gebeurt als onderdeel van de landschappelijke inpassing. Die beplanting kan tegelijk nuttige insecten aantrekken, die ook rondom de serre al helpen om plaaginsecten onder controle te houden. “Je kijkt niet alleen naar wat je zelf in de serre uitzet. Ook wat rondom je bedrijf leeft, kan waardevol zijn. Uiteindelijk probeer je de natuur zoveel mogelijk mee te laten werken.”

Bart Elseviers (Biobest) en Warre Franco (TOPA)

Bart Elseviers van Biobest en Warre Franco van TOPA samen in de serre.

Biologisch waar het kan

Nuttige insecten betekenen niet dat andere vormen van gewasbescherming volledig verdwijnen. De aanpak draait net om combineren: voorkomen, goed opvolgen, natuurlijke vijanden inzetten en alleen gericht corrigeren wanneer dat nodig is. Hoe ver een teler biologisch kan werken, hangt af van het gewas, de plaag, het seizoen en de omstandigheden.

“Het doel is niet om te doen alsof chemische gewasbescherming van vandaag op morgen verdwijnt”, zegt Elseviers. “Wel om natuurlijke en preventieve oplossingen zoveel mogelijk vooraan te zetten en alleen bij te sturen wanneer dat echt nodig is. Dat maakt de aanpak gerichter en robuuster.” Franco herkent dat uit de praktijk. “Als de omstandigheden goed zijn, kunnen we heel ver komen met onze biologische aanpak. Maar je werkt met levende organismen en met de natuur. Soms moet je bijsturen. Het belangrijkste is dat je voortdurend opvolgt en zo gericht mogelijk handelt.”

De serre van morgen leeft

Voor de consument blijft veel van dat werk onzichtbaar. Achter een Vlaamse aubergine in het groenteschap gaat vandaag een verrassend samenspel schuil van hommels, roofmijten, plantenkennis en steeds slimmere technologie. Dat samenspel wordt alleen maar belangrijker. Nieuwe plagen, extremere weersomstandigheden en veranderende mogelijkheden voor gewasbescherming vragen van telers dat ze steeds vroeger detecteren en preciezer ingrijpen.

“De serre van de toekomst wordt eigenlijk steeds meer een slim, levend ecosysteem”, besluit Elsevier. “Natuurlijke vijanden houden plagen mee onder controle, hommels zorgen voor bestuiving en data helpen de teler om op het juiste moment de juiste beslissing te nemen. De technologie ondersteunt, maar de kennis van de teler blijft cruciaal.” Jurgen Franco vat het zo ook samen: “Je moet nog altijd zelf tussen je planten lopen en weten wat je ziet. Technologie helpt ons vooruit, maar uiteindelijk blijft het een combinatie van natuur, vakkennis en ervaring.”

 

Gefinancierd door de Europese Unie. De hier geuite ideeën en meningen komen echter uitsluitend voor rekening van de auteur(s) en geven niet noodzakelijkerwijs de ideeën of meningen van de Europese Unie of het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) weer. Noch de Europese Unie, noch de steunverlenende autoriteit kan ervoor aansprakelijk worden gesteld.